Hangen in de gymzaal

‘Weet iemand toevallig waar Levi is?’

In de groepsapp van de klas van mijn zoon van 10 verschijnen dit soort berichten de laatste tijd vaker. Waarschijnlijk is er niks met Levi aan de hand. Waarschijnlijk is hij met Jayden mee, of met Siem. Of misschien hangt hij nog rond op het schoolplein, op het voetbalveld.

Goed, het is halfvier, de school is al meer dan een uur uit. Maar dan nog.
Uit de app van de moeder van Levi spreekt dan ook geen paniek.

Het is meer het plotselinge opmerken, dat je ook kunt hebben als je de pas van de ROVA-vuilcontainer zoekt, en hem niet, zoals altijd, in de keukenla aantreft.

‘Hé, weet iemand toevallig waar de ROVA-pas ligt?’

‘Oh ja, die zat nog in mijn jaszak van vorige week. Hier is ie.’

Een half uur later: ‘Levi is alweer thuis, hij was met Jayden mee. Dank!’

In de loop van groep zeven mag je op een bepaald moment zelf naar huis fietsen. In het begin van het schooljaar nog niet. In het begin van het schooljaar is het nog maar net september en ben je slechts een uit de kluiten gewassen kind dat nog met één been in groep zes staat.  

Maar zo na de Kerstvakantie, als het ’s ochtends weer licht is, als de gladheid is verdwenen, als je een fiets met een kratje voor hebt gekregen, want die oude kleine mountainbike voldeed echt niet meer, en als je voeten op die nieuwe fiets makkelijk bij de grond komen, omdat je in een maand tijd drie centimeter bent gegroeid, als je ziet hoe andere kinderen zelfstandig van het plein af fietsen, en je je, kortom, realiseert dat niet alleen het weerseizoen, maar ook jíj een nieuwe fase bent ingegaan, dan ligt het voor de hand om je wensen kenbaar te maken aan het thuisfront.

‘Wanneer mag ik zelf uit school naar huis fietsen?’

En het thuisfront denkt: Als hij het zelf vraagt, zal hij er wel aan toe zijn. 

Het thuisfront denkt ook: Wij gaan eerst eens even heel goed per stoplicht, per fietsvoorsorteerstrook, per kruispunt observeren of deze meneer, die tegenwoordig sowieso alles beter weet, alle verkeersrisico’s wel goed overziet.

Het thuisfront zegt ten slotte: Zal ik anders een tijdje een heel stuk achter je aan fietsen?

Als antwoord volgt een opgetrokken wenkbrauw. De acceptatie van dit voorstel verloopt schoorvoetend en na een week denkt het thuisfront: nou, vooruit dan maar.

‘Groep 7 is echt heel stom,’ legt mijn zoon een keer uit tijdens het avondeten. ‘Kijk, groep 8 is leuk. Dan heb je kamp. Musical. Dan weet je naar welke school je gaat. En bovendien,’

‘Kun jij met mes en vork eten alsjeblieft? En niet met je handen?’

Onder diep gezucht wordt er met een vork in de pasta penne geprikt.

‘..bovendien dus,’ zegt hij met tomatensaus op zijn wangen, ‘is groep 8 alleen maar herhaling. Je hoeft niks meer te leren. In groep 7 moet je alles nog leren. Dat is echt supersaai. Mag ik van tafel?’

Het bord met een restje penne wordt opgetild - een kring van pastasaus en sliertjes geraspte kaas achterlatend - en in de wasbak in de keuken gestort. 

In groep 7 val je tussen de wal en het schip. Diep vanbinnen ben je niet echt een basisschoolkind meer. Maar je bent het nog wel. Je gaat alvast een kijkje nemen naar de middelbare scholen die je schoolvrienden ook bezoeken. Ter voorbereiding. Ter plekke ren je meteen naar de gymzaal. Wat ze je bij Nederlands, Scheikunde of Beeldende Vorming te leren hebben, interesseert je nog niet.

‘Ja, ik denk wel dat ik naar de Amersfoortse Berg ga,’ zeg je de volgende dag wijs in de klas. In de wetenschap dat je nu nog helemaal nergens heen gaat. En dat je nog helemaal nergens naartoe hóeft. Je hebt wel de lusten van het middelbare schoolbezoek (gratis pennen, limonade, de gymzaal met klimwand, dikke mat, trampolines en een basketbalcourt) en nog niet de lasten (daadwerkelijk ook op de school in kwestie moeten gaan zitten en bijbehorend huiswerk maken).

Ik zie nog steeds de peuter in je gezicht. Maar merk ook hoe je kaak hoekiger wordt, je benen langer en je wenkbrauwen borsteliger. Je blik stuurs, als ik een opmerking maak waar je vrienden bij zijn. En is dat dons op je bovenlip? Nu al?

Mijn partner vraagt op een avond hoe een moeilijk gesprek met een vriendin is verlopen. 

Ik denk na over wat ik nou werkelijk van het gesprek heb gevonden en verplaats me naar eerder die middag. Ik loop weer rond over de Tafelbergse heide, mijn blik op de grond gericht.

Zij loopt in het midden van het pad en met ferme pas. Ik loop in de berm en schakel anderhalve versnelling hoger dan wat voor mij een normaal wandeltempo is.

Zie je wel, wil ik roepen, dat je altijd te veel ruimte inneemt. Maar ik zeg niets, want dat leidt voor nu te veel de aandacht af van hetgeen waarvoor we naar deze heide zijn gekomen. Namelijk voor het doorploegen van de stand van zaken van onze dertig jaar oude vriendschap.

‘Wat was er dan met jou en Sara?’ wil de tiener, de zevendegroeper, de tussen-wal-en-schip-valler, de met-zijn-handen-eter, de beterweter, weten.

‘Mama vindt dat Sara een beetje bazig doet af en toe,’ probeerde mijn man de botsing van twee weerbarstige levenspaden naar tienjarigentaal te vertalen. 

‘Hm,’ antwoordt hij. ‘Dus als groot mens heb je dat soort dingen dus ook nog?’

En ik zie hoe hij zich ineens realiseert dat sommige fases, zoals de basisschool, danwel eindigen. Maar andere fases, zoals leren hoe je omgaat met vrienden, eindigen dus helemaal nooit.

Diep vanbinnen sluimert in hem een groot mens. Een man met eigen wensen, met liefdesavonturen, met verantwoordelijkheden en met lotsbestemmingen waar we nu nog geen weet van hebben.

In de kiem is dit grote mens al aanwezig. 

Maar buiten die kiem, en in volle bloei, wil de zevendegroeper nu vooral weten of hij nog een snoepje mag.





Deze column droeg ik live voor tijdens Rietveld Live op 26 februari 2026, in het Rietveldpaviljoen in het kader van de tentoonstelling ‘Don’t stop the kids’